Geschiedenis van de Filosofie, Uncategorized, Vrije Academie

Samenvattende afsluiting

(Het onderstaande is een iets verder uitgewerkte versie van de afsluiting van de cursus ‘Geschiedenis van de Filosofie’. Het gaat om een zeer vluchtige samenvatting van enkele trends in de filosofie. Het bevat noten, maar is daarmee nog niet op het niveau van een volwaardig essay. Het is voor de aardigheid).

Thales van Milete en de breuk met de mythe

Je kunt [1] Thales van Milete presenteren als de eerste filosoof of wetenschapper. In diens denken begint de filosofie of wetenschap zich te onderscheiden van de mythe [2]. Waar in de mythologie de verschijnende wereld verklaard wordt middels de machtige willekeur van goddelijke wezens, bedient de jonge filosofie zich van vaste principes die de natuur in regelmatigheden ordent [3].

Je kunt de plek van Thales van Milete in de geschiedenis van de filosofie daarom verbinden met een zeker optimistme: uiteindelijk zal de menselijke geest in staat blijken om de omringende wereld te begrijpen.

En daar kan aan worden toegevoegd dat indien de wereld op sommige punten onbegrijpelijk blijft, we op zijn minst deze onbegrijpelijkheid op begrip kunnen brengen [4].

Descartes en het hoogtepunt van het modernisme

Als het doel van filosofie is om tot zekere inzichten te komen, kan de filosofie van Descartes gepresenteerd worden als het hoogtepunt van het vertrouwen in de mogelijkheid van deze inzichten.

Zowel in het Vertoog over de Methode als in de Meditaties over de Eerste Filosofie stelt Descartes dat hij beschikt over onwankelbare en noodzakelijke inzichten, en hij bovendien deze noodzaak zelf rotsvast gezekerd heeft aan zijn Ego Cogito (via enkele omwegen) [5].

Voor Descartes is kennis niet langer een gunst van een goddelijke openbaring [6]. Kennis wordt door de mens zelfstandig verworven via zijn verstand. Met dit verstand (tussen haakjes: zoals u weet uiteindelijk toch gefundeerd in God) kan de mens de wereld op eigen krachten aan.

Bij Descartes is daarom een toekomstbeeld te vinden waarin de mensheid eindeloos verder zal kunnen bouwen op de fundamentele zekerheden die Descartes zelf heeft gelegd [7]. Het behaalde resultaat zal nooit inzakken, en het bouwwerk hoeft alleen nog verder uitgebouwd te worden. Alles wat nodig is, zijn rationele en methodische denkers [8].

Postmodernisme

Het is dit vertrouwen in een absoluut zekere fundering die in de latere postmoderne filosofie wordt gezien als naïef. Universele, absoluut noodzakelijke, en rationeel verantwoordbare kennis? Met zo’n vaart zal dat volgens de postmodernist niet lopen.

Zo leggen de postmodernisten het accent op de lokale en historische beperktheid van een stuk kennis [9]. Wat zich presenteert als een absoluut noodzakelijk inzicht, blijkt bij nader inzien een project onder andere mogelijke projecten te zijn [10]. (Zoals het Ego Cogito lokaal in het Westen kan dienen als fundament van een filosofische analyse, zo is er in het Oosten mogelijk van een dergelijk stevig Ik überhaupt geen spoor te bekennen).

In het postmodernisme treedt er een pluraliteit op, die niet wil verdwijnen. De heersende paradigma’s worden gezien als slechts enkele mogelijkheden onder andere. En de vanzelfsprekendheid waarmee principes, methodes, en resultaten zich opdringen, wordt gecontrasteert met de manieren waarop alles anders is geweest, zal zijn, of had kunnen zijn [10b].

Is dat irrationeel? Zeker is dat de universaliteit van de rede in het postmodernisme is aangetast. Tegelijkertijd is zelfkritiek niet totaal redeloos [11], en een ervaring van de grenzen tot waar funderen mogelijk is een traditionele filosofische discipline. Hoe waarachtiger we worden, des te minder kunnen we claimen ‘eenvoudigweg’ rationeel te zijn. Vraag is: ‘wiens rede?’ of ‘welke rede?’ [12].

Dat is niet het einde van de filosofie gebleken, maar het geeft de filosofie wel een nieuwe taak. De filosofie zou zich kunnen wenden tot het doorbreken van abstracties [13]. Iets wat zich presenteert als vanzelfsprekend, kan binnen een lokale en historische context geplaatst worden, of tegenover zichzelf worden neergezet, waarbij van die vanzelfsprekendheid weinig overblijft [14].

Sokrates

Dus? Zekere kennis of niet? Misschien is dat de zaak niet. Wat beiden filosofische houdingen, de moderne en postmoderne, fundeert en bij elkaar houdt, is mogelijk een oudere opvatting van filosofie.

Is de wereld vatbaar voor de mens? Wat zeker is, is dat dit een voorwaarde voor het denken is. De mens reikt in het denken uit naar de wereld. Maar als voorwaarde omvat dit niet het bewijs dat deze vatbaarheid in klinkende munten uitbetaald zal worden.

Omgekeerd is de onbereikbaarheid van eeuwig zekere inzichten niet een voldoende voorwaarde voor nihilisme, of een luie gemakzuchtige berusting omdat ‘alles toch even waar is’.

De filosoof wil zich funderen. Maar dit is een wens. En een wens is een passie of eros. En zoals Plato betoogt teert de bewogenheid van iedere passie erop dat het gewenste nog niet verworven is [15]. In plaats van te komen tot de berusting van de zekerheid of de berusting van de resignatie, plaatst de filosoof zich in een spanningsveld. De zekering die de filosofie wenst is toekomst[16]. Zij is niet iets wat de student van de filosoof in de studieboeken tot zich neemt, maar wat hij zelf en voor zichzelf zal moeten winnen.

Sokrates spreekt in deze context over een weten niet te weten. Een mens moet het leren verstaan zijn vanzelfsprekendheden te boven te komen, en opnieuw open te worden [17]. Deze vanzelfsprekendheid keert niet later in de gestalte van een zekerheid terug. Zij huist niet in de stellingen die men verkondigt, maar in de praktijk rondom deze stellingen. Het verstaan niet te weten is een bezigheid, en niet iets wat zich in een encyclopedie of computersysteem laat neerschrijven.

Spreken we een beetje té poetisch: de nagels die totale zekering van kennis zouden bieden, zouden de nagels in de doodskist van de filosofie zijn.

Of Heidegger napratend – dat kan alleen met enige reserve – zou je misschien kunnen zeggen: wie filosofie bedrijft poogt zo lang mogelijk zich aan de zekerheden van het Men te onttrekken, om daarbij uiting te geven aan de menselijke roeping bij uitstek: om met gespreide armen (in) de Lichting van het Zijn te bestaan [18].

En dat alles slechts voor even. Want een leven is alledaags, en een alledaags leven leeft in de beschutting van het gezonde verstand [19].

Noten:

[1]: Kritische noot: dit kan ook niet overdreven worden. De pre-sokratische filosofie is in veel opzichten richtingloos en speculatief. Ze verliest zich bijvoorbeeld in grote uitspraken over de vorm van de aarde en structuur van de sterrenhemel, zonder hier bewijs voor te kunnen aanreiken.

[2]: Waterfield: “The story goes that a ship under an Egyptian helmsman was becalmed off the island of Paxoi […] As they were drifting there, a supernatural voice was suddenly heard from the island, calling the name of the helmsman: ‘Thamous! Thamous!’ The helmsman did not reply at first, but the third time the voice called his name, he said ‘Here I am. What do you want?’ The voice replied: ‘When you reach the sea off Palodes […] you are to call out, ‘Great Pan is dead!”. The boat drifted on until they reached Palodes. Thamous did as he had been instructed, but before he had even finished making the announcement – ‘Great Pan is dead!’ – a loud cry of lamentation and bewilderment broke out from all round them, as if many voices were all crying out at once” (Waterfield 2009: xxxi))

[3]: Waterfield: “[The early philosophers] were reductionists – that is, they formed general hypotheses in an attempt to explain as many things as possible by means of as few hypotheses as possible – and in their theorizing they relied on natural phenomena like air, rather than supernatural phenomena like the traditional Greek gods and godesses” (Waterfield 2009: xix)

[4]: Het is diep rationeel om de grenzen van het eigen kennen helder af te bakenen. Wanneer Descartes dit project stelt, wordt dit verder voltrokken door Locke, Hume, en Kant. Allen pogen aan te geven tot welke kennis de mens in staat is. Dikwijls met de conclusie dat de vanzelfsprekende aanspraak op kennis onterecht is. Zo ontkent Locke het bestaan van aangeboren ideeën, en ontkent Hume als empirist zelfs dat we de causale werking in de wereld kunnen waarnemen.

[5]: Samenvattend: de methodische twijfel leidt tot de onbetwijfelbaarheid van het Ego Cogito. Het Ego Cogito vindt in zichzelf God. De analyse van God bewijst het bestaan van God. Het bestaan van God bewijst de zekerheid van onze kennis.

[6]: Bij Augustinus blijft de openbaring van de Bijbel uiteindelijk boven het menselijke intellect staan. Het menselijke intellect dat zich in de natuur beweegt zal daarom nooit God kunnen deduceren of induceren: “My belief in this was sometimes stronger, sometimes weaker. But at least I always retained belief both that you are and that you care for us, even if I did not know what to think about your substantial nature or what way would lead, or lead me back, to you. So since we were too weak to discover the truth by pure reasoning and therefore needed the authority of the sacred writing, I now began to believe that you would never have conferred such preeminent authority on the scripture, now diffused through all lands, unless you had willed that it would be a means of coming to faith in you and a means of seeking to know you” (Augustinus: VI.8)

[7]:

[8]: Die volgens Descartes echter zeer spaarzaam voorkomen: “Admittedly, as regard the experiments and observations that may be of use to this task, one man alone could not possibly do them all; but equally, he could not usefully employ other hands than his own, except those of artisans or such persons as he could pay, in whom the hope of gain (a very effective spur) would make them do exactly what he told them to do. […] So if there were someone in the world who was known for sure to be capable of making discoveries of the greatest importance and public benefit, and for this reason other men tried in every way possible to help him to achieve his ends, I do not see how they could doe anything else for him, except to provide him with financial support for the experiments and observations he would need to make, and, for the rest, prevent his time being wasted by importunate visits from other people.” (Descartes: 72-3)

[9]: Hierbij horen ook gedachten alla Irigaray, volgens welke onze kennis een bepaald ‘smaakje’ heeft. Zij zou namelijk altijd mannelijke kennis zijn geweest: “In feite is het zelfverklaarde ‘universele gelijke’ een ideolect van mannen, een mannelijke verbeelding, een ge-seksde werkelijkheid. Geen Neutrum […] Het zijn altijd mannen geweest die spraken, en bovendien schreven: in wetenschap, filosofie, religie, politiek” (Irigaray: 121)

[10]: In deze context is het zinvol te denken over ‘paradigma’s’. Dat wil zeggen, raamwerken van denken, spreken, en handelen, die elkaar wederzijds uitsluiten. Lyotard wijst met betrekking tot wetenschappelijk spreken op een verschil: “[…] there are two different kinds of ‘progress’ in knowledge: one corresponds to a new move (a new argument) within the established rules; the other, to the invention of new rules, in other words, a change to a new game” (Lyotard: 43). Ook valt er te verwijzen naar het werk van wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend.

[10b] Zo is in de imposante studie van Foucault, De woorden en de dingen, de grotendeels op historische feiten gebaseerde opvatting te vinden dat de ordeningsprincipes waarmee de wetenschap gelijkheden en ongelijkheden in de natuur heeft benaderd, afgelopen 500 jaar in ieder geval drie keer radicaal is omgeslagen.

[11]: Een verwijzing naar Nietzsche is op zijn plaats: “De wil tot waarheid, die ons nog tot vele waagstukken zal verleiden, die vermaarde waarheidsliefde waarover alle filosofen tot dusverre met eerbied hebben gesproken: wat een vragen heeft deze wil tot waarheid ons reeds voorgelegd! […] Een lange geschiedenis is dat al, – en toch lijkt zij nog maar nauwelijks begonnen. Is het een wonder dat we eindelijk eens wantrouwend worden, het geduld verliezen, ons ongeduldig afwenden? Dat wij van deze sfinx leren ook zelf vragen te stellen? Wie is het eigenlijk die ons hier vragen stelt? Wat in ons wil eigenlijk ‘waarheid’? – Inderdaad, we bleven lang treuzelen voor de vraag naar de oorzaak van deze wil, – tot we ten slotte volkomen stil bleven staan voor een nog veel fundamentelere vraag. We vroegen naar de waarde van deze wil. Gesteld dat we waarheid willen: waarom niet liever onwaarheid?” (Nietzsche: af. 1)

[12]: De postmoderne denker staat dus open voor het idee dat er een pluraliteit aan filosofieën en wetenschappen mogelijk is. Respect voor het Andere wordt daarmee een belangrijk thema in het postmoderne. Net als problematisering van het imperialistische ‘eigene’. Overigens, vereenvoudig dit niet teveel alsof de kwestie ‘politieke correctheid’ zou zijn!

[13]: Zoals bij Hegel de term ‘abstract’ een lelijk woord wordt. Zie zijn tekst: ‘Wie denkt abstract?’

[14]: Hier kun je ook denken aan Marx. Deze meende bijvoorbeeld dat de arbeid een hel is, maar wel alleen onder kapitalistische voorwaarden: “[..]dat de arbeider zich in zijn arbeid niet bevestigt maar ontkent, niet goed maar ongelukkig voelt, geen vrije lichamelijke en geestelijke energie ontplooit, maar zijn lichaam afbeult en zijn geest ruïneert. […] Resultaat van dit alles is dus dat de mens (de arbeider) zijn activiteit alleen voorzover het zijn dierlijke functies – eten, drinken, en zich voortplanten – betreft als een vrije activiteit ervaart […]” (Parijse Manuscripten)

[15]: Symposium 200e

[16]: “Alles wesentliche Fragen der Philosophie bleibt notwendig unzeitgemäss. Und das deshalb, weil die Philosophie entweder ihrem jeweiligen Heute weit vorausgeworfen ist oder aber, weil sie das Heute an sein früher und anfänglich Gewesenes zurückbindet.” (Heidegger 1953: 6)

[17a]: In de dialogen hangt Sokrates dan ook liever rond met de jongeren, dan met de ouderen die allang weten hoe de vork in de steel steekt.

[17b]: Plato stelt daarom dat filosofie bedrijven een oefening in sterven is (Phaedo 64a), en Sokrates zijn eigen belang op haast onmenselijke wijze heeft genegeerd (Apologie 31b)

[18]: Heidegger: “Wissen aber heisst: in der Wahrheid stehen können. Wahrheit is die Offenbarkeit des Seiendes. Wissen ist demnach: in der Offenbarkeit des Seienden stehen können, sie bestehen. […] Wissend is nur der, der versteht, dass er immer wieder lernen muss und der auf Grund dieses Verstehens sich vor allem dahin gebracht hat, dass er stets lernen kann. Dies ist sehr viel schwerer, als Kenntnisse zu besitzen” (Einführung in der Metaphysik, 17)

[19]:  Dit thema zowel bij Heidegger als Kierkegaard.

 

Bibliografie

Augustinus, (2008), Confessions, vertaling Henry Chadwick, Oxford University Press

Descartes, R., (2006), Discourse on Method, vertaling Ian Maclean, Oxford University Press

Heidegger, M., (1953), Einführung in die Metaphysik, Max Niemeyer: Tübbingen

Irigaray, L., (1993), An Ethics of Sexual Difference, vertaling Carolyn Burke en Gillian C. Gill, Cornell University Press

Lyotard, J., (1986), The Postmodern Condition, vertaling Geoff Bennington en Brian Massumi, Manchester University Press

Marx, K., (2004), Parijse Manuscripten, vertaling Paul Rodenko, ooit gepubliceerd maar nu online op: url= https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1844/manuscripten/index.htm

Nietzsche, F., (2009), Voorbij Goed en Kwaad, vertaling Thomas Graftdijk en herziening Paul Beers, Arbeidspers

Plato, (2003), Apologie, Phaedo, Symposium, allen in Verzameld Werk, vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf, Bert Bakker

Waterfield, R., (2009), Voorwoord, in: The First Philosophers: the Presocratics and the Sophists, Oxford University Press

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s