Geschiedenis van de Filosofie, Uncategorized, Vrije Academie

Augustinus’ Belijdenissen XII: ‘Waar geen vorm is kan geen beweging zijn’

Ik lees Augustinus in de vertaling van Henry Chadwick. In één van de vele zeer excellente noten verbaast deze zich over de stelling van Augustinus dat: “Where there is no form, there can be no changes” (Belijdenissen, XII.14).

Dit verbaast Chadwick, die in een notitie toevoegt:

“In a section far from easy to follow, Plotinus argued that matter, in the sense of the ultimate formless sludge out of which particular things come to take shape and form, is immune from change (3.6.10-13)” (Chadwick pg. 252, noot bij Augustinus XII.14)

Het zou lastig zijn te begrijpen waarom Plotinus en Augustinus beiden steeds blijven herhalen dat er zonder ‘vorm’ geen sprake kan zijn van verandering in de materie. Waarom is er eigenlijk een relatie tussen vorm en beweging? Kunnen hier een paar stappen worden gemaakt?

(Onder de bibliografie een korte verzameling van relevant materiaal uit Plotinus en Augustinus)

 

Materie

De bespreking van vormloze materie die geen beweging kent, vindt plaats in Augustinus’ interpretatie van de schepping. Hij meent dat deze voltrokken wordt binnen het Aristotelisch-Platoonse schema van vorm en materie.

De schepping was ten eerste de schepping van de vormen (‘een hemel van hemel’, XII, 9, 13, 16, 19), vervolgens gelijktijdig ook de schepping van de vormloze materie (‘het duister boven de afgrond’, XII. 3, 30), en tot slotte daarmee ook de schepping van de ordelijke menging van beiden dat heeft geleidt tot de ordelijke zichtbare wereld om ons heen (‘hemel en aarde’). Het gaat om een gelijktijdigheid die uit verschillende momenten bestaat (XII.40, XIII.48)

(Augustinus staat open voor meerdere ‘waarheden’ over de Genesis van de wereld, indien zij maar niet duidelijk onjuist zijn. ‘Juistheid’ lijkt bepaalt te worden aan de hand van het vorm/materie-schema, XII.41-2)

De zichtbare en kenbare wereld is daarbij gehouden tussen twee principes: de vorm die eeuwig (hoewel geschapen) zijn, en de materie die (eveneens geschapen) deze vorm ontvangt. De eeuwigheid van de vormen sluit hun geschappenheid niet uit. Hun eeuwigheid is hun onveranderlijkheid (XII.21). Ook de materie is echter onveranderlijk. Beweging treedt pas op wanneer beide principes gemengd raken.

Dit is volgens Augustinus noodzakelijk zo, en iedere interpretatie van de Bijbel dient dit te realiseren. Zonder vorm kan er geen beweging zijn. Dus vormloze materie is onveranderlijk. Hoe dit voor te stellen?

 

Beweging

Vermoedelijk kan het hoofdargument als volgt in speculatieve termen uitgedrukt worden:

Enerzijds veronderstelt de beweging een zeker niet-zijn, waarbij blijkt dat het zijnde in kwestie wisselvallig en nietig is. Het blijft niet wat het is, maar is getekend door niet-identiteit, waardoor het wordt wat het (nog) niet is. Voor Augustinus is deze veranderlijkheid een teken van de onvolmaaktheid, omdat het toont dat het zijnde niet sterk genoeg is om zichzelf in het zijn te houden.

Anderzijds is deze wisselvalligheid echter niet totaal. In de verandering zelf is er sprake van een blijvende substantie waaraan de veranderingen zich voltrekken. Dat wil zeggen, de beweging veronderstelt tevens een identiteit met het oog waarop iets wat zichzelf blijft in dit zichzelf blijven tot verandering in staat is. We kunnen zeggen dat het hetzelfde zijnde is dat iets overkomt of ten onder gaat. Voor Augustinus is het de perfectie en ‘goedheid’ van het veranderlijke zijnde, dat het in zijn verandering identiteit heeft.

Losser gezegd, beweging veronderstelt dat er ‘iets’ is dat beweegt. Zonder een minimale opvatting van identiteit zou er bij temporeel voltrekkende processen louter sprake zijn van een soort flikkerende knippering, waarbij het onduidelijk is of iets beweegt, er iets nieuws ontstaat, en of er überhaupt sprake is van ‘iets’. De bewegende identiteit van een zijnde is identiteit van identiteit en niet-identiteit (Vergelijk Delfgaauw, Ontologie der Historiciteit)

In dit opzicht eist beweging een ordening: “But where no order existed, there could be no temporal successiveness” (XII.22).

 

Identiteit, vorm, en materie

Aangenomen dat er zonder ordening geen beweging kan zijn, volgt binnen het Griekse denken de noodzaak van de vorm voor de beweging. Zowel Plotinus als Augustinus menen dat de enige wijze voor het zijnde om zijn identiteit te hebben eruit bestaat dat er vorm in werkzaam is. Het is de vorm die de substantie maakt tot iets, en daarmee maakt tot iets dat kan veranderen zonder totaal verloren te gaan.

Wanneer Aristoteles ernaar neigt om de vorm van een zijnde gelijk te stellen aan de soort waar dit zijnde toe behoort (Mefysica: 1030a, 1037a), geldt een vergelijkbare redenering. Het individu ondergaat veranderingen. De eikenboom kan zijn blaadjes verliezen, nieuwe wortels groeien, verbranden, ingesneden worden. Het blijft echter om hetzelfde zijnde gaan. Die identiteit in het individu is in zijn onafhankelijkheid van toevalligheden en veranderingen gek genoeg gelijkend op de identiteit van het individu als lid van een soort.

De identiteit van de eikenboom is daarbij gek genoeg afhankelijk van de vorm die hij juist deelt met andere eikenbomen, in plaats van wat hem van deze doet verschillen. (Vergelijk Gerard Visser, Niets Cadeau, §7).

 

Vormloze materie

Waar de ordening ontbreekt kan geen verandering zijn, omdat verandering altijd verandering van iets is. Materie zonder vorm kent echter geen identiteit. Augustinus waarschuwt ervoor hoe lastig het is om dit voor te stellen.

We willen spreken over modder, water, of over kleine bolletjes. Maar daarmee getuigen we er alleen van dat we ons de materie relatief vormeloos voorstellen. De materie in de schepping is echter absoluut vormeloos. Dergelijke vormeloze materie is identiteitsloos. We kunnen niet zeggen wat deze materie is. Was zij iets, dan had zij vorm.

Zo kun je komen tot een formule:

Zoals de vorm niet veranderlijk is en daarom niet aan de beweging deelheeft omdat zij geen niet-identiteit kent, zo kent de materie geen veranderlijkheid omdat zij niet genoeg identiteit kent om de orde die een beweging vereist op te brengen.

 

NOTA BENE

Dit punt over de identiteit van het zijnde ten opzichte van zijn beweging, valt eenvoudig te vertalen in de opmerking dat ons kenvermogen alleen beweging kan waarnemen als wij een minimale identiteit aannemen in de gewaarwordingen die wij tot beweging ordenen.

Een TV-scherm vol ruis geeft ons geen waarneming van een object, omdat de ruis zich aan ons kenvermogen niet aandient als iets wat wij kunnen samenballen tot de ervaring van een object.

Voor mij klinkt dit intuïtief juist. In dat geval spreken we ruwweg Kantiaans, omdat we het object van onze kennis niet scheiden van het verschijnen ervan aan ons. De wereld waarin beweging zich voltrekt is dan verschijning.

Het is typisch voor het Antieke denken dat deze scheiding echter niet zo sterk wordt gepresenteert. De bovengenoemde regel van Augustinus lijkt uiteindelijk op te gaan voor het zijnde zelf, dat daadwerkelijk zonder orde niet in staat is in beweging te zijn. Over de relatie tussen onze geest waarin beweging zonder ordening onmogelijk is wordt niet gesproken.

Het is een interessante kwestie hoe dit zich verhoudt tot Augustinus bezinningen op de tijd of de duur, waar deze subjectieve wending zich juist verder doorzet.

 

 

Bibliografie:

Augustinus, Confessions, vertaling Chadwick, Oxford

Delfgaauw, ‘Ontologie der Historiciteit’ in: De Historiciteit, ed. het Thijmgenootschap, Uitgeverij het Spectrum

Plotinus, Enneads, vertaling Mackenna, online: classics.mit.edu/Plotinus/enneads.html

Visser, Niets Cadeau, Valkhof Pers

 

 

Verzameling van tekst

Interpretatie zal zich moeten bekommeren om de volgende teksten:

“Further: If Matter were susceptible of modification, it must acquire something by the incoming of the new state; it will either adopt that state, or, at least, it will be in some way different from what it was. Now upon this first incoming quality suppose a second to supervene; the recipient is no longer Matter but a modification of Matter: this second quality, perhaps, departs, but it has acted and therefore leaves something of itself after it; the substratum is still further altered. This process proceeding, the substratum ends by becoming something quite different from Matter; it becomes a thing settled in many modes and many shapes; at once it is debarred from being the all-recipient; it will have closed the entry against many incomers. In other words, the Matter is no longer there: Matter is destructible.

No: if there is to be a Matter at all, it must be always identically as it has been from the beginning: to speak of Matter as changing is to speak of it as not being Matter.

Another consideration: it is a general principle that a thing changing must remain within its constitutive Idea so that the alteration is only in the accidents and not in the essential thing; the changing object must retain this fundamental permanence, and the permanent substance cannot be the member of it which accepts modification.

Therefore there are only two possibilities: the first, that Matter itself changes and so ceases to be itself, the second that it never ceases to be itself and therefore never changes.

We may be answered that it does not change in its character as Matter: but no one could tell us in what other character it changes; and we have the admission that the Matter in itself is not subject to change.” (Plotinus, Enneads, III.6.10)

 

“There is an inexpressible formlessness in the changes undergone by the lowest and most inferior creatures. Only a person whose empty heart makes his mind roll and reel with private fantasies would try to tell me that temporal successiveness can still be manifested after all form has been subtracted and annihilated, so that the onlt remaining element is formlessness, through the medium of which a thing is changed and transformed from one species to another. It is absolutely impossible for time to exist wihtout changes and movement. And where there is no form, there can be no changes.” (XII.14)

“[Matter] is so formless that it has no means, either in movement or in a state of rest, of moving from one form to another, which is synonymous with being subject to time.” (XII.15)

“Out of [matter and form]  were made a second heaven [, that is a sky, ] and visible ordered earth and beautiful waters and everything else mentioned in the creation narrative after days had come into existence. These things are such that they are subject to ordered changes of movement and form, and so are subject to the successiveness of time” (XII.15)

“But where no order existed, there could be no temporal successiveness” (XII.22)

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s