Uncategorized, Vrije Academie

Augustinus’ ‘Belijdenissen’ X: oneindige regressie in de geheugen metafoor

In de Belijdenissen komt Augustinus te spreken over het geheugen. Het geheugen wordt daar opgeblazen tot een innerlijke ruimte, vergelijkbaar aan de ‘geest’ bij meer moderne filosofen als Descartes en Locke. De metaforische wijze waarop Augustinus spreekt over het geheugen is invloedrijk geweest, en is nog steeds in gebruik. Evengoed wordt zij onder de naam ‘behaviorisme’ en ‘externalisme’ nu nog steeds bestreden.

Hieronder een kritische noot.

 

De metafoor voor het geheugen

Augustinus presenteert het geheugen op een ruimtelijke wijze:

“Het geheugen bewaart alle waarnemingen van specifieke particularia en ook algemene categorieën, die ieder via hun eigen weg zijn binnengekomen. Dus licht en alle kleuren en lichamelijke vormen komen binnen via de ogen; alle smaken via de deur van de mond. […] De enorme grot van het geheugen, met zijn mysterieuze, geheime, en onbeschrijfbare hoeken en gaten, ontvangt al deze waarnemingen, die klaar liggen om opnieuw opgeroepen te worden wanneer dit nodig is. […] De objecten zelf komen niet binnen, maar de beelden van de waargenomen objecten zijn beschikbaar voor de gedachte die hen herinnert.” (X.13)

In de metafoor wordt de werking van de geest toegelicht in ruimtelijke metaforen: de indrukken ‘komen binnen’ via een ‘weg’. Ze komen in een ‘ruimte’ met ‘hoeken en gaten’ om daar opgeslagen te worden.

Het betreft ‘natuurlijk’ niet een letterlijke ruimte. Augustinus waarschuwt zijn lezers dat de innerlijkheid waar hij over spreekt niet letterlijk ín een lichaam te vinden is. De indruk komt niet letterlijk via het zintuig het geheugen binnen zoals het herfstblad letterlijk door het raam de keuken in waait. Het is een ‘spirituele’ innerlijkheid.

Toch suggereert de metafoor het één en ander over de werking van het geheugen. Ook in de uiterlijke wereld is er van opslag sprake. We zijn geïnteresseerd in een boek dat letterlijk is opgeslagen in de bibliotheek, en we vragen het daarom aan bij de balie. Op dezelfde manier zijn we geïnteresseerd in een herinnering die metaforisch is opgeslagen in ons geheugen, en we roepen deze op. Herinneringen zijn opgeslagen in een ‘Paleis van het geheugen’ (X.12).

(Het is mogelijk dat deze ‘ruimte’ of ‘bibliotheek’ al zekere ‘items’ bevat, zonder dat daar onze zintuigen voor nodig waren. Dat sluit Augustinus niet uit, en neemt hij zelfs aan. (X.17, 19, 22))

 

Archief zonder toegang

Nu is het geheugen een feit. We kunnen ons wat vroeger is gebeurd ‘voor de geest halen’. Blijkbaar was een herinnering ‘beschikbaar’ of ‘nog in ons bereik’. De mens raakt dat wat is gebeurd niet zomaar kwijt, maar hij neemt het in bewaring, en weet het opnieuw te laten verschijnen. En zo lijkt de volgende zin waar te zijn:

  • Als ik met iets herinner, vraag ik de herinnering op uit een soort opslag

Maar hier moet een eigenaardigheid worden opgemerkt. In de metafoor sta ik zelf tegenover de bibliotheek. Ik ben degene die aanvraagt, en niet het gebouw of het boek. In het mind palace ben ik een gast.

Maar hoe zou ik een boek kunnen opvragen als ik niet wist dat het bestond? Hoe zou ik een afbeelding kunnen afvragen als ik me deze niet herinnerde, en geen idee zou hebben wat er in mijn ‘innerlijke ruimte’ te vinden is? Een tweede stelling lijkt ook lastig te ontkennen:

  • Als ik iets kan opvragen uit een opslag, moet ik het me herinneren

De innerlijke waarnemer beschikt over een geheugen dat in ieder geval sterk genoeg is om zich te herinneren wat hij wil opvragen.

 

Regressie

Wanneer in de verklaring van de werking van het geheugen de innerlijke waarnemer gescheiden is van het geheugen, maar toch zelf een geheugen nodig heeft om zich van het geheugen te bedienen, leidt dit tot een regressie:

  1. Als ik me iets kan herinneren, is dat omdat ik de herinnering van dit iets kan opvragen uit een opslag.
  2. Als ik iets kan opvragen uit een opslag, moet ik er al een herinnering van hebben
  3. Ik herinner de herinnering die ik opvraag

En dan een regressie:

  1. Als ik me ‘de herinnering aan iets’ herinner, is dat omdat ik deze herinnering kan opvragen uit een opslag
  2. Als ik iets kan opvragen uit een opslag, moet ik er al een herinnering van hebben
  3. Ik herinner de ‘herinnering van de herinnering aan iets’ die ik opvraag

Etc

  1. Als ik me ‘de herinnering van de herinnering aan iets’ herinner, is dat omdat ik deze herinnering kan opvragen uit een opslag
  2. Als ik iets kan opvragen uit een opslag, moet ik er al een herinnering van hebben
  3. Ik herinner de ‘herinnering van de herinnering van de herinnering aan iets’ die ik opvraag

Etc.

 

In feite

Aangenomen dat het bovenstaande juist is, wat dan? Het geheugen bestaat er niet minder om. Bovendien kan een werkend geheugen ook buiten de mens gerealiseerd worden, in een computer. Blijkbaar is een vicieuze regressie in werkelijkheid niet aanwezig. Maar dat is belangrijk: blijkbaar geeft deze metafoor geen adequate weergave van wat er aan de hand is. Kwestie: in welk opzicht is deze metafoor daarbij inadequaat gebleken?

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s