book, Uncategorized, Vrije Academie

Plato’s Gorgias #1: op het scherpst van de snede

In de dialoog de Gorgias betoogt Plato tegen de corrumperende werking van de Sofisten. Sokrates confronteert daar de oude sofist-meester Gorgias, diens leerling Polos, en tot slot de sofisten-fan Kallikles. 

 

De inzet van de Gorgias:

De inzet van het debat is niet kinderachtig: het gaat om de vraag wat in het leven het meest de moeite waard is (vglk. 500c). Gorgias had betoogt dat uitgerekend zijn expertise, namelijk de retoriek, een mens in staat stelt het hoogste goed te verwerven:

“Het gaat [met retoriek] om wat écht het grootste goed is [megiston agathon], Sokrates. Het schenkt de mensen zelf vrijheid [eleutherias], maar tegelijk ieder in zijn eigen staat de heerschappij over anderen” (452d)

De belofte van de sofisten is duidelijk. Zij beloven hun leerlingen dat deze zal krijgen wat hij wil, en zijn zin bij anderen zal kunnen doordrijven. Zo bezien is de sofist een technicus: de vraag is hoe je voor elkaar kunt krijgen dat je krijgt wat je wilt. Uitgangspunt is de eigen wens.

De inzet van Sokrates is in deze dialoog precies tegenovergesteld.  In plaats van dat te krijgen wat we willen, zouden we de juiste dingen moeten leren willen. Het punt is fundamenteel: de zorg voor het goede leven begint niet met de effectiviteit van de wil, maar met de wil zelf.

(Dit betreft een conceptuale vernieuwing: Plato is al grotendeels geslaagd als zijn lezers concluderen dat de wil en de kwaliteit van de wil twee verschillende zaken zijn. Mogelijk dat het onvermogen van Kallikles om Sokrates op sommige punten te volgen (491d) uiteindelijk betrekking heeft op een onvermogen dit verschil te zien).

 

Cultuurrelativisme

Plato betoogt uiteindelijk dat onze wil objectief genormeerd wordt. Niet alles wat we willen doen is iets wat we mogen willen. Het uitgangspunt van het leven is daarom niet de effectiviteit van de wilsvrijheid, maar de reflexieve bekommernis om vrijheid van de wil. Poëtisch gezegd.

Maar dan dringen zich enkele overwegingen op: Is Plato op dit punt niet achterhaald? Veronderstelt modern relativisme en liberalisme niet dat de wil boven iedere kritiek verheven is? Is de wil niet willekeurig, en dus niet genormeerd?

Dit probleem dringt zich in het bijzonder op vanwege de wijze waarop de Antiek-Griekse samenleving wel eens gepresenteerd wordt: ze is een zedelijke samenleving (Nietzsche), waarin de deugd hoogtij viert, en waarin het individu een natuurlijke onderschikking heeft aan de gemeenschap (Hegel). Daarentegen zouden wij ‘modernen’ leven in een individualistische samenleving die de deugd voorbij is (MacIntyre) of waar de zedelijkheid gebroken is (Heyde).

Is Plato niet eenvoudigweg te archaïsch om onze huidige problemen in de ethiek te kennen? Neemt hij niet dogmatisch en traditionalistisch aan dat ‘zoiets als het goede’ of ‘de moraliteit’ bestaat?

Dat blijkt niet het geval. Plato kent het relativisme door en door. Het is onverstandig de Gorgias af te doen als een voor-moderne tekst die getuigt van een achterhaald ‘optimisme’ dat de wil ‘nu eenmaal genormeerd wordt’. Verstandiger is om na te gaan dat Plato tot op het scherpst van de snede bereid is tegen het relativisme te argumenteren.

Dat Plato bereid is tot in het uiterste zijn positie te verdedigen blijkt uit ten minste drie gegevens.

 

Scherpst van de snede 1: de casus

Ten eerste laat Plato zien hoe fundamenteel Sokrates is in het aanhangen van de positie dat moraliteit gaat boven slechts je zin krijgen. Met zijn gesprekspartners kiest hij geen kinderachtige casus. Hoe belangrijk is moraliteit? Belangrijker dan wat dan ook:

“Sok: onrecht doen is het grootste kwaad dat er bestaat.

Polos: Is dit inderdaad het grootste kwaad? Onrecht lijden is toch veel erger? […] wil je soms liever onrecht lijden dan onrecht begaan?

Sok: Ik zou geen van beide willen, maar als ik absoluut moest kiezen tussen onrecht begaan en onrecht lijden, leed ik liever onrecht dan onrecht te begaan.” (469b)

Het is Sokrates ernst. Vermoord worden, je bezit verliezen, belachelijk gemaakt worden, of gemarteld, al die zaken zijn vreselijk en vernietigen het geluk van een leven. Maar tóch is het erger om immoreel en onrechtvaardig te handelen.

De positie van de sofisten wordt zo sterk mogelijk gepresenteerd, om dan pas afgekeurd te worden. Dit net als in het tweede boek van Plato’s Politeia. 

 

Scherpst van de snede 2: tegen het ideaal van de massa

Sokrates keert zich daarmee ook af van het ideaal dat de gemiddelde Athener erop na houdt. Door de dialoog spookt het vermoeden dat de gemiddelde Athener uiteindelijk het leven van een tiran verheerlijkt. Dat wil zeggen, een luxe-leventje met alles wat het hart begeert, inclusief de mogelijkheid om met mensen te doen wat je maar wilt. Zoals Polos opmerkt:

“Alsof jij afkerig zou zijn, Sokrates, van de kans in de staat naar goeddunken te handelen en je die liever miste! En alsof je niet jaloers zou zijn wanneer je iemand naar goeddunken mensen zag vermoorden, beroven, en in de boeien slaan! [Rechtvaardig of niet] zo iemand is toch in beide gevallen te beneiden?” (468e)

Immoreel gedrag onder machtige mensen is volgens Polos dus volkomen begrijpelijk. Eigenlijk wil iedereen immoreel zijn, maar niet iedereen krijgt daar de kans toe. Dat weet toch iedereen?

Sokrates meent hiermee niet tegenover een enkele radicaal te staan. Polos en Kallikles verwoorden slechts meningen die in Athene algemeen de ronde doen:

“op een enkeling na zal iedereen, Athener en vreemdeling, met jou [, Polos,]  instemmen wanneer je belieft met getuigen tegen mij te komen die aanvoeren dat ik het verkeerd zie. […] Maar ík stem niet met je in, al sta ik alleen. Jouw argumenten zijn nu eenmaal niet klemmend voor me. […] Ik kom maar met één enkele getuige: jijzelf” (472b)

En verderop:

“Ik snap best wat je zegt, Kallikles, ik ben niet doof ofzo. Ik heb wat jij zegt al heel wat keren van jou en van Polos te horen gekregen, en bijna iedereen in de stad zegt dit trouwens. Maar je moet ook naar mij luisteren […]” (511b)

Moraliteit wordt geplaatst tegenover dat wat iedereen verheerlijkt. De positie van Sokrates is een uitzonderingspositie. Doch, Plato meent een fundering te kunnen geven voor zijn opvattingen: de massa is het niet met Sokrates eens, maar wie over de zaak nadenkt merkt dat Sokrates gelijk heeft.

(Wat die fundering is, kom ik in een latere notitie misschien nog op terug).

 

Scherpst van de snede 3: de escalatie

De Gorgias vertoont daarbij ook een sterke escalatie. In de dialoog wisselen drie gesprekspartners elkaar af.

De oude meester Gorgias laat zich eenvoudig overtuigen van de waarde van morele kennis. Wie de tekst leest krijgt soms de indruk dat Gorgias überhaupt geen relativist genoemd kan worden.

De leerling van oude meester, Polos, is echter radicaler. Wat Gorgias niet bereid was om te doen, namelijk retoriek te verheerlijken om of dat nu goed of kwaad is je zin te krijgen, is voor hem geen probleem. Sokrates staat nu tegenover iemand die niets anders wil dan zijn zin krijgen. Polos is ook degene die het eerst het tirannenleven identificeert als het beste leven. Maar ook Polos wordt met enkele vlugge argumenten door Sokrates gevloerd.

(Deze argumenten gronden in de dubbelzinnigheid van de ethische begrippen die – uitgedrukt in jargon – door Polos tegelijk als ‘internalistisch’ en ‘externalistisch’ worden begrepen). 

Kallikles, een sofisten fan, kan het echter niet geloven dat Sokrates ernstig spreekt (481b). Kallikles durft ook nog vele malen verder te gaan dan Polos. In zekere zin verschijnt hier pas echt de gedaante van de corruptie die de sofisten teweeg brengen:

“Nee, Sokrates, de waarheid waarnaar jij beweert te streven komt hierop neer: deugd en geluk zijn een kwestie van zwelgen, onmatigheid, en vrijheid, wanneer dat maar mogelijk is. De rest, al dat mooie gedoe, de menselijke afspraken die tegen de natuur indruisen, is waardeloze onzin” (492c)

Deugd en geluk zijn de twee grote doelen van het Griekse leven: het juiste handelen dat tot een prachtleven leidt. Moraliteit heeft daar volgens Kallikles weinig mee te maken. Moraliteit is een construct van de massa. En een écht voortreffelijk (dus deugdzaam) man weet te zwelgen, en richt zich niet naar de nukken van de massa. Hij gaat deze te boven.

Dat een rijk en machtig man zich misdraagt kan volgens Kallikles dan ook alleen maar begrijpelijk genoemd worden.

Daarmee bereikt de dialoog zijn hoogtepunt. Plato confronteert Sokrates met de totale tegenhanger van alles waar Sokrates in gelooft, en laat hen discussieren. En dat in de overtuiging dat zelfs tegenover zo iemand Sokrates het een en ander te zeggen kan hebben.

 

Slot

Het zal niet verassen dat Kallikles en Sokrates met moeite verder komen. Kallikles weigert op een gegeven moment nog langer met Sokrates te redeneren, – zo erg druist de waarheid die Sokrates (altijd gereserveerd) voorstelt tegen zijn eigen overtuigingen in. Sokrates blijft echter beleefd en argumentatief.

Dat alles is van deze tijd. Kallikles lijkt opvattingen te verkondigen die tegenwoordig gemeengoed zijn. De argumenten die Plato presenteert zijn daarom nog steeds relevant voor studie. Die studie vereist tijd en inspanning, en worstelingen met vertalingen  (Ik kom hier nog op terug).

De oplossing die Sokrates tegenover Kallikles’ positie plaatst, en die ik hierboven niet heb behandeld, krijgt mogelijk een verdere uitwerking in het tweede boek van Plato’s Politeia (dat minstens even zeer op ‘het scherpst van de snede’ geschreven is). Dit zou een vervolg kunnen zijn voor studie.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s